Verklarende woordenlijst

Aandeel – een bewijs van deelneming in een bedrijf in de vorm van gewone aandelen of preferente aandelen.

Absoluut rendement het rendement dat een asset gedurende een bepaalde periode behaalt.

Bedrijfsobligatie - een obligatie uitgegeven door een bedrijf om op effectieve wijze geld op te halen om de activiteiten uit te breiden.

Beleggers - (of markt-)sentiment - de algemeen heersende houding van beleggers inzake verwachte prijsontwikkelingen in een bepaalde markt.

Beta - meet de gevoeligheid van het fonds voor de bewegingen van zijn benchmark.

Bottom-up aanpak - een beleggingsaanpak die zich meer focust op de analyse van afzonderlijke aandelen dan op het belang van de economische conjunctuur en de marktcycli. Bij bottom-up beleggen richt de belegger zich dus op een bepaald bedrijf, in plaats van op de sector waarin het bedrijf actief is, of op de economie als geheel.

Bullmarkt - een markt waarin de aandelenkoersen stijgen, waardoor het kopen wordt aangemoedigd.

Cashflow - de hoeveelheid cash die door een bedrijf in een bepaalde periode gegenereerd en gebruikt wordt. Cashflow kan gebruikt worden als indicatie van de financiële toestand van een bedrijf.

Chinese ‘A’-aandelen - aandelen in Chinese renminbi die gekocht en verhandeld worden op de beurzen van Shanghai en Shenzhen.

Correlatie - een statistische maatstaf voor hoe twee financiële effecten ten opzichte van elkaar bewegen.

Credit spreads - een credit spread is het verschil in rendement tussen twee obligaties met een vergelijkbare looptijd, maar met een verschillende kredietkwaliteit. Als een 10-jarige Amerikaanse staatsobligatie bijvoorbeeld wordt verhandeld met een rendement van 6% en een 10-jarige bedrijfsobligatie wordt verhandeld met een rendement van 8%, dan zou de bedrijfsobligatie een spread van 200 basispunten bieden (d.w.z. 2%) ten opzichte van de Amerikaanse staatsobligatie.

De Amerikaanse Federal Reserve - de centrale bank van de Verenigde Staten, meestal de ‘Fed’ genoemd.

Deflatie - een daling van het algemene prijspeil in een economie.

Distributierendement - het distributierendement geeft de bedragen weer die naar verwachting in de komende twaalf maanden worden uitgekeerd als percentage van de intrinsieke waarde van het fonds op de getoonde datum. Het rendement is een momentopname van de portefeuille op die dag. Het omvat geen inschrijfkosten en beleggers kunnen onderworpen zijn aan belasting over de uitkeringen.

Dividend - een uitkering van een deel van de winst van een bedrijf aan een categorie van haar aandeelhouders.

Duration - de looptijd van een financiële asset die bestaat uit vaste kasstromen. Voor een obligatie is dit het gewogen gemiddelde van de tijd totdat die vaste kasstromen zijn ontvangen.

Economische indicatoren - cijfers over de economische activiteit.

Effectieve duration - De gemiddelde duration is gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van alle kasstromen in de portefeuille en geeft een indicatie van de gevoeligheid van de obligatiekoersen van een portefeuille voor een rentewijziging. Hoe hoger de duration, des te gevoeliger de portefeuille is voor rentewijzigingen. Effectieve duration is een berekening voor obligaties met ingebedde opties (niet elke portefeuille zal obligaties met ingebedde opties kopen). Deze houdt rekening met de verwachte verandering in de kasstromen veroorzaakt door de optie naarmate de rente wijzigt. Als een portefeuille geen obligaties met ingebedde opties aanhoudt, dan is de effectieve duration gelijk aan de gemiddelde duration.

Europese Centrale Bank - de centrale bank die verantwoordelijk is voor het monetaire stelsel van de Europese Unie (EU) en de euro.

Futures - financiële contracten die de koper verplichten om een ​​asset te kopen (of de verkoper om een ​​asset te verkopen) op een vooraf bepaalde datum en tegen een vooraf bepaalde prijs.

 

Geldmarkttarief - de rente waartegen een bank voor één nacht geld aan een andere bank uitleent dat bij de Amerikaanse Federal Reserve wordt aangehouden.

Geopolitiek - met betrekking tot politiek, vooral internationale betrekkingen, beïnvloed door geografische factoren.

Gilt - een door de Britse overheid uitgegeven vastrentende lening.

Groeiaandelen - aandelen die meer in kapitaalwaarde stijgen dan dat ze een hoog inkomen genereren.

Grondstoffen - een basismateriaal dat in de handel wordt gebruikt en uitwisselbaar is met andere grondstoffen van hetzelfde type. Traditionele voorbeelden van grondstoffen zijn graan, goud, rundvlees, olie en aardgas.

Highly leveraged bedrijf – een bedrijf met een hoge schuldenlast.

Historisch rendement - Het historisch rendement geeft de uitgekeerde inkomsten over de afgelopen 12 maanden weer als percentage van de intrinsieke waarde van de klasse op de getoonde datum. Het omvat geen inschrijfkosten en beleggers kunnen onderworpen zijn aan belasting over de uitkeringen.

Hoogrentende obligaties - obligaties met een hoog rendement en een lagere kredietrating dan investment-grade bedrijfsobligaties. Vanwege het hogere risico op wanbetaling keren deze obligaties een hoger rendement uit dan investment-grade obligaties.

IMA-sector - De Investment Association (IA)-sector binnen de Morningstar UK Registered Investment Fund-klasse is een groep fondsen die zich hoofdzakelijk op inkomsten richten.

Inflatie - een aanhoudende stijging van het algemene prijspeil van goederen en diensten in een economie over een bepaalde periode.

Informatieratio - de verhouding tussen het verwachte restrendement en het resterende risico op jaarbasis.

Investment-grade - een kredietbeoordeling die betekent dat een staats- of bedrijfsobligatie een relatief laag risico op wanbetaling heeft.

Kapitaal - vermogen in de vorm van geld of activa.

Kapitaalkosten - het rendement dat kapitaal naar verwachting oplevert bij een alternatieve belegging met een gelijkwaardig risico.

Krediet - een belegging in een schuld waarbij een belegger geld uitleent aan een entiteit (bedrijf of overheid) die dit geld gedurende een bepaalde periode en tegen een vaste rentevoet leent.

Large caps -  een term die door de beleggersgemeenschap wordt gebruikt voor bedrijven met een beurswaarde van meer dan USD 10 miljard.

Longpositie - een longpositie in een effect, zoals een aandeel of een obligatie, of 'long gaan' in een effect betekent dat de houder van de positie de zekerheid bezit en ervan profiteert als de prijs ervan stijgt.

Looptijd - een eindige periode waarvan na afloop het financiële instrument (d.w.z. een obligatie) ophoudt te bestaan en de hoofdsom met rente wordt terugbetaald.

Luidend in - uitgedrukt in een specifieke munteenheid.

Macro-gestuurd - beïnvloed door de macro-economie (de tak van de economie die zich bezighoudt met brede of algemene economische factoren, zoals rentetarieven en nationale productiviteit).

Marktkapitalisatie - of 'beurswaarde' wordt berekend door de huidige aandelenkoers van een bedrijf te vermenigvuldigen met het totale aantal uitstaande aandelen.

Mortgage-backed security - een soort door activa gedekt waardepapier afgedekt door een hypotheek  of verzameling hypotheken.

Niet-inflatoir - veroorzaakt waarschijnlijk geen economische inflatie.

 

Obligatie - een belegging in een schuld waarbij een belegger geld leent aan een entiteit (bedrijf of overheid) die dit geld gedurende een bepaalde periode en tegen een vaste rentevoet leent.

Obligatieklasse - de kwaliteit van een obligatie wordt gemeten (bijvoorbeeld door Standard & Poor's) en wordt uitgedrukt als letters variërend van 'AAA', het hoogste cijfer, tot 'C', het laagste cijfer.

Onderwogen positie - een toewijzing aan een land, regio of sector die groter is dan de benchmark van het fonds.

Ontwikkelde markt - bij het beleggen is een ontwikkelde markt een land dat het op het gebied van zijn economie en kapitaalmarkten het meest ontwikkeld is.

Ontwrichting van de markt - verstoringen van de financiële markten zijn omstandigheden waarin financiële markten die onder stressvolle omstandigheden opereren hun activa niet meer correct prijzen.

Opkomende markten - in beleggingstermen landen waarvan de financiële markten minder ontwikkeld zijn en waar de beleggersbescherming en marktinfrastructuur vaak achterblijven bij ontwikkelde markten zoals het VK.

Opsplitsing naar kredietkwaliteit - nationaal erkende statistische kredietratingagentschappen (ratingbureaus) evalueren de waarschijnlijkheid dat een emittent van een obligatie zijn betalingsverplichtingen inzake de hoofdsom en de coupons van de obligatie niet nakomt. De gewogen gemiddelde kredietkwaliteit van Western Asset Management kent elk effect de hoogste rating toe van drie ratingbureaus (Standard & Poor’s, Moody’s Investor Services en Fitch Ratings, Ltd.).  De gewogen gemiddelde kredietkwaliteit door Brandywine Global kent elk effect de middelste rating toe van drie ratingbureaus (Standard & Poor’s, Moody’s Investor Services en Fitch Ratings, Ltd.). Als slechts één ratingbureau een rating toekent, zal die rating worden gebruikt. Effecten die van geen enkele van de drie ratingbureaus een rating hebben gekregen, worden als zodanig weergegeven. Hoe lager de algemene kredietrating, hoe risicovoller de portefeuille. De kredietrating wordt uitgedrukt in gewone letters (van hoge naar lage kwaliteit):  AAA, AA, A, BBB, BB, ...D.

Overwogen positie - een toewijzing aan een land, regio of sector die groter is dan de benchmark van het fonds. 

Rendement - het bedrag in cash (uitgedrukt als percentage) dat wordt uitgekeerd aan de bezitters van een effect, in de vorm van rente of dividend.

Rente - de tarieven die in rekening gebracht of betaald worden voor het gebruik van geld.

Risicopremie - het minimumbedrag waarmee het verwachte rendement van een risicovolle asset het bekende rendement op een risicovrije asset of het verwachte rendement op een minder risicovolle asset moet overschrijden om iemand ertoe te brengen de risicovolle asset en niet de risicovrije asset aan te houden.

Samengestelde index - een groep indices die door de fondsbeheerder is samengesteld om de prestaties weer te geven van een fonds dat geen gestandaardiseerde benchmark volgt.

Schuldmarkt – obligatiemarkt.

Shortpositie - de verkoop van geleende waardepapieren, grondstoffen of valuta, in de verwachting dat de asset in waarde zal dalen.

Smallcaps - een bedrijf met een beurswaarde onderin het beursgenoteerde spectrum. De grenzen tussen deze classificaties zijn niet duidelijk gedefinieerd en kunnen afhankelijk van de bron verschillen.

Spread sectoren - vastrentende niet-overheidsbeleggingen met hogere rendementen en een hoger risico dan overheidsbeleggingen.

Staatsobligaties - obligaties uitgegeven door overheden.

Standaardafwijking - meet het risico of de volatiliteit van het rendement van een belegging over een bepaalde periode; hoe hoger het cijfer, hoe groter het risico.

Top-downbenadering - een beleggingsaanpak waarbij wordt gekeken naar het bredere verband in de economie en de financiële wereld en waarbij vervolgens eerst de beleggingscategorie wordt gekozen, vervolgens de bedrijfstak en als laatste een aandeel of obligatie.

Tracking error - De mate waarin het rendement van een fonds afwijkt van het rendement op de benchmark.

Valutamarkten - markten waarin deelnemers van over de hele wereld verschillende valuta kunnen kopen, verkopen en wisselen en ermee kunnen speculeren.

 

Yieldcurve -  een grafiek die het verband weergeeft tussen het rendement op obligaties met een gelijkwaardige kredietkwaliteit, maar met verschillende looptijden.